Zo verwonderd groet ons jongste
dochtertje die eerste dag de dingen.
De bergen pardoes op de grond gedonderd,
daarover de alpenweiden als een speeldeken
neergestreken, de huizen uit een getuimelde
blokkendoos ordeloos op hun plaats gerold.
Hoog boven dit alles de wolken,
die als handdoeken droog hangen te waaien.
En de volgende ochtend, de waterval
aan de overkant van het dal.
Een kraantje dat men de avond voordien
was vergeten dicht te draaien.
Als God in Frankrijk woont,
wandelt hij dan ook de ochtend in
met een stokbrood onder de arm?
Elk vermoeden wijst in die richting.
Het oker rijst aan een zevende hemel. Tussen wilde
wingerd worden blinden opengedraaid. Van zoveel licht
krijgen oeroude gevels kraaienpoten rond de ogen.
Het wordt weer ovenwarm vandaag.
Een grijsaard met gele sigaret heeft de tijd
als een stoel ruggelings in een deurgat gezet
en schoffelt zoveel mogelijk schaduw onder zijn baret.
Of er verder nog iets zal bewegen is zeer de vraag.
Pas tegen de middag zal meneer weer
naar binnen sloffen, geroepen door de geur
van anijs en kaneel. Als God in Frankrijk woont,
schiep hij geen dag teveel.
|
Poelkapelle, British Cemetery
|
Ze zijn doodgewoon bezig met niet ouder
te worden dan pakweg negentien, hooguit
vijfentwintig. En begrijpen niets
van het beven van zij die bleven leven.
Ze staren verdwaasd naar hetgeen er na hen
zo al niet kwam. Vrede, bijvoorbeeld.
Wat zij in blessuretijd nog hadden kunnen
meemaken: Hitler en Hiroshima,
de wapenwedloop, de alledaagse waanzin.
Maar ze zijn nooit ouder geworden
dan negentien, hooguit vijfentwintig.
Vóór het laatste fluitsignaal nog –
man na man na man – geveld en uitgeteld.
Zerkstenen houden van lieverlede de adem in.
Het gras kruipt waar het bloed niet gaan kan.
De lente is in het land en wij horen niet te klagen.
Van ’s ochtends vroeg al volgt de zon haar eigen luimen.
Maar al te graag verdwaalt ze in een warreling van geuren
en kleuren, in het luie uitzicht van onbestemde dagen.
De luwte in de boomgaarden is het best te pruimen.
Roest rust en contouren vervagen. Het licht zindert
boven oeroude pleintjes, petanquebanen, een bar-tabac,
een terras onder platanen. Schaarse geluiden waaien
uit openstaande ramen. Overal rondom wentelt
het landschap zich in stilte en in welbehagen.
En wij, wij zijn in dit licht.
Wij worden Lot en Garonne
en vloeien binnen enkele ogenblikken samen.
|